Experimenteren met...suikerklontjes!

Experimenteren met...suikerklontjes!

Lekker, een beetje suiker in je thee. Misschien vind je één klontje wel niet genoeg. Wat dacht je van dertig suikerklontjes in je thee? Is dat lekker? En wat gebeurt er met een winegumbeertje als je dat in heel zoet water legt? Of in gewoon water? En proeven of iets zoet of zout is, doe je natuurlijk met je tong... Of niet!?

Experiment 1

Neem twee theeglazen met in beide 30 suikerklontjes, wat gebeurt er als je bij de ene koud en bij de ander heet water giet?

Wat als je vervolgens roert? Wat als je een tijdje wacht?

Zet een van beide suikerwaterglazen aan de kant. Neem een schoon glas water, leg in beide glazen twee winegums. Wat gebeurt er na een paar uur? Wat gebeurt er als je een beertje uit het waterglas in het suikerwater stopt? En weer een poos wacht?

Uitproberen

Doe in beide theeglazen 30 suikerklontjes. Mocht het niet passen, doe dan de laatste klontjes er pas bij nadat je water in het glas gedaan hebt. Giet in het ene glas koud water en het andere glas heet water. Kijk wat er gebeurt. Roer in beide glazen. Wacht een poosje en kijk opnieuw. Pak ook nog een derde glas koud water.

Gooi in het koude suikerwater en in het gewone koude water een beertje. Wacht vier uur en kijk hoed de beertjes er uit zien. Stop een beertje uit het waterglas bij het suikerwaterglas. Wacht weer een paar uur. 

Wat zit er achter?

Zodra je water op de klontjes giet, beginnen ze stuk te gaan. De klontjes in het hete water zakken heel snel in elkaar, er komen bubbeltjes omhoog. De klontjes in het koude water houden langer hun vorm. Als je roert, lossen de klontjes in het hete water helemaal op. Het water blijft doorzichtig. Suiker lost makkelijker op in warm water. Het koude water wordt helemaal troebel, je kunt er niet meer doorheen kijken. Als je na tien minuten nog eens kijkt, zie je dat de suikerklontjes in het koude water toch ook helemaal opgelost zijn.

 De winegums in het water zijn helemaal opgezet    en flubberig. Het water en het beertje zijn niet in    evenwicht wat betreft de hoeveelheid suiker. De    concentratie suikermoleculen is heel hoog in het    beertje, en laag in het water. Het beertje bestaat    voor een groot deel uit suiker, dat lost op in het    water. De suikermoleculen bewegen van de plek    met de hoge concentratie, naar die met de lage    concentratie.

De winegums in het suikerwater zijn bijna niet veranderd. Er zit net zoveel suiker in het beertje als in het water. Er zit al zo veel suiker opgelost in het suikerwater, dat er niks meer bij kan. Dat noem je een verzadigde oplossing.

Als je het flubberbeertje uit het water in het suikerwater gooit, blijft het drijven. In het suikerwater zit zoveel suiker opgelost, dat het zwaarder is dan gewoon water. Het flubberbeertje bevat juist heel veel water, daarom blijft het drijven.

Als je lang wacht, zie je dat het flubberbeertje langzaam krimpt. Het suikerwater en het flubberbeertje zijn weer niet in evenwicht. Het water uit het beertje stroomt naar het omliggende suikerwater. Uiteindelijk zinkt het beertje naar de bodem.

TIP!

Het duurt een paar uur voor je resultaat ziet bij het winegum-experiment. Doe dit experiment 's ochtends en kijk aan het eind van de dag, of aan het eind van de dag en kijk de volgende ochtend naar het resultaat. 

Experiment 2

Leg een suikerklontje op je tong en houd je mond open. Wat proef je? Wat gebeurt er als je een poosje wacht? Wat gebeurt er als je heel even met de tip van een wattenstaafje (gedoopt in zout of zoet water) in het midden van iemands tong duwt? Wat gebeurt er als de proefpersoon zijn/haar mond sluit? 

Uitproberen

Leg een suikerklontje op je tong en houd je mond open, niet slikken. Onthoud wat je proeft. Wacht een poosje. Beschrijf wat er gebeurt. Daarna mag je het suikerklontje opeten (of weggooien).

Doop een wattenstaafje in suikerwater en een andere in zout water. (Let op, maak hiervoor vers suikerwater/zout water, niet het water uit het vorige experiment gebruiken als dat al lang staat!) Laat iemand zijn tong uitsteken. Duw voorzichtig heel even met de tip van het wattenstaafje in het midden van de tong. De proefpersoon moet zijn tong uit blijven steken. Na een poosje mag hij/zij zijn mond sluiten. 

Wat zit er achter?

Als je het suikerklontje op je tong legt, gebeurt er niks. Je proeft ook niks. Als je even wacht, kan het zijn dat je meer speeksel aan gaat maken. Pas als je je mond sluit, het klontje ook je gehemelte raakt en er een beetje speeksel bij de suiker komt, ga je proeven dat het zoet is. Op je tong en in je gehemelte zitten je smaakpapillen, dat zijn zenuwuiteinden. Die zenuwuiteinden sturen een signaaltje aan je hersenen als ze geprikkeld worden. En dat ervaar jij als een smaak.

Hetzelfde geldt voor het zoute en zoete drupje van het wattenstokje. Dat proef je ook niet met je tong uit je mond. 

TIP!

Je kunt niet alleen leuk experimenteren met suikerklontjes, probeer ook eens deze goocheltruc! 

Meer onderzoek

Een wedstrijdje wie de hoogste toren bouwt, is natuurlijk leuk, maar je kunt ook prachtige bouwwerken maken van suikerklontjes. Kijk maar>>

Experimenteren met..

Experimenteren met... is een initiatief van Edda Heinsman en TechYourFuture. Bekijk alle experimenten die leerkrachten inspiratie geven om met Wetenschap & Technologie aan de slag te gaan in de les.